02 juni 2026
Lessons learned – Financiering van een first-of-a-kind project
Een CCS-project als Porthos laat zien dat grootschalige CO₂-transport en -opslag niet alleen een technische uitdaging is, maar minstens zozeer een opgave op het gebied van financiering, risicoverdeling en publieke ondersteuning. Als eerste grootschalige CCS-project in Nederland én de Europese Unie moest Porthos een businessmodel ontwikkelen zonder bestaande marktstandaarden, gereguleerde tarieven of bewezen financieringsstructuren. Juist daardoor heeft het project veel waardevolle inzichten opgeleverd voor toekomstige energie- en infrastructuurprojecten — lessen die Porthos actief deelt om de ontwikkeling van CCS energietransitie verder te versnellen.
Vroege subsidiezekerheid creëert vertrouwen
Een van de belangrijkste lessen is dat vroege duidelijkheid over subsidies essentieel is om vertrouwen in de markt te creëren. Tijdens het internationale kennisdelingswebinar met CCS-professionals eind vorig jaar vertelde Dorus Bakker, financieel directeur van Porthos, hoe belangrijk de Europese CEF-subsidie van €102 miljoen en de Nederlandse SDE++-regeling zijn geweest voor het project. Deze regelingen vormden een noodzakelijke basis voor investeerders, klanten en aandeelhouders. Zonder publieke steun zou het project in de beginfase simpelweg onvoldoende financierbaar zijn geweest.
Omdat het om een first-of-a-kind project ging, waren er bovendien nauwelijks bestaande referenties of marktmodellen beschikbaar. Dat maakte publieke steun en garanties extra belangrijk om risico’s te beperken en private investeringen mogelijk te maken. De overheid speelde daarbij niet alleen een stimulerende rol, maar trad ook op als risicodrager in een markt die nog volop in ontwikkeling is. De overheid trad niet alleen op als subsidieverstrekker, maar nam ook – aangezien de aandeelhouders van Porthos staatsdeelnemingen zijn – een deel van het markt-, vraag- en ontwikkelrisico over zodat private partijen bereid waren mee te doen.
Flexibele subsidieregelingen en voorspelbare tarieven
Porthos heeft daarnaast ervaren hoe belangrijk het is dat subsidieregelingen aansluiten op de ontwikkelfase van een project. In een vroege fase bestaan nog veel onzekerheden over techniek, planning en kosten, terwijl investeerders tegelijkertijd behoefte hebben aan financiële duidelijkheid. Het vangnetmechanisme van de SDE++-regeling dempt de onzekerheid rondom toekomstige CO₂-prijzenen helpt om projecten door deze kwetsbare fase heen te trekken.
Ook het gekozen tariefmodel bleek een belangrijke succesfactor. Porthos koos bewust voor een conservatief en voorspelbaar transport- en opslagtarief dat later nog kon dalen, maar niet meer kon stijgen – behalve door inflatiecorrectie. Dat gaf klanten voldoende zekerheid voor hun SDE++-aanvragen en versterkte het vertrouwen in de businesscase.
Tegelijkertijd liep Porthos tegen een klassieke ‘kip-en-ei’-situatie aan. Klanten hadden een transporttarief nodig voor hun subsidieaanvraag, terwijl Porthos juist inzicht in toekomstige volumes nodig had om dat tarief te bepalen. Intensieve samenwerking tussen overheid, klanten en projectorganisatie in werkgroepen bleken noodzakelijk om deze impasse te doorbreken.
Ook de langjarige zekerheid van de SDE++-regeling speelde hierin een belangrijke rol. De subsidieperiode van vijftien jaar bood voldoende zekerheid over toekomstige inkomstenstromen voor zowel afvangprojecten als de transport- en opslaginfrastructuur.
Investeren in toekomstige CCS-infrastructuur
Tot slot laat Porthos zien dat investeren in toekomstbestendige infrastructuur maatschappelijke meerwaarde oplevert. Er is bewust gekozen voor een leidingnetwerk op land met capaciteit voor 10 miljoen ton CO₂ per jaar, terwijl de huidige klanten ongeveer 2,5 miljoen ton aanleveren. Daarmee ondersteunt Porthos niet alleen het huidige project, maar ontstaat ook ruimte voor toekomstige CCS-projecten en verdere ontwikkeling van een bredere CO₂-infrastructuur in Noordwest-Europa.
De rode draad uit het project is helder: succesvolle first-of-a-kind klimaatprojecten vragen om sterke publiek-private samenwerking, langdurige beleidszekerheid en een financieringsmodel waarin risico’s, rendement en maatschappelijke waarde zorgvuldig in balans zijn gebracht.